Op deze pagina vindt u de belangrijkste informatie over WMO-zorg. We bespreken de doelen van de WMO, hoe deze zorg door de gemeente is geregeld en welke vormen van ondersteuning mogelijk zijn. Ook gaan we in op eigen kracht, zelfredzaamheid en klachtenprocedures.

De WMO (wet maatschappelijke ondersteuning) bepaalt dat mensen die niet voor zorg in het kader van de WLZ (wet langdurige zorg) in aanmerking komen, zorg en ondersteuning krijgen binnen wat wordt genoemd ‘het sociaal domein’. Daarmee wordt bedoeld dat mensen in de eigen omgeving en in de samenleving kunnen blijven wonen en dat de zorg georganiseerd wordt in samenhang met andere maatschappelijke voorzieningen. De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de WMO en is daarmee formeel ook uw aanspreekpunt als uw kind zorg krijgt vanuit de WMO.

De WMO wordt vaak in één adem genoemd met de Wet op de Jeugdzorg en de Participatiewet vanwege de overlappen die er zijn en het feit dat ook voor deze wetten de gemeenten verantwoordelijk zijn. De Wet op de Jeugdzorg regelt de zorg voor kinderen en in de uitvoering daarvan wordt in veel gemeenten dezelfde basisstructuur gebruikt die voor de WMO ontwikkelt is. De Participatiewet heeft vooral te maken met arbeid en inkomen en vindt zijn overlap met de WMO bijvoorbeeld rond de dagbesteding en het realiseren van eventuele aanpassingen om een betaalde baan mogelijk te maken.

In dit onderdeel van de website proberen we de belangrijkste zaken voor u op een rij te zetten.

  • klachtenprocedures
  • doelen in de WMO
  • hoe is de zorg in de WMO geregeld
  • vormen van ondersteuning
  • eigen kracht en zelfredzaamheid

In de WMO staan twee doelen centraal:

  • zelfredzaamheid
  • participatie

Zelfredzaamheid  wordt in de wet omschreven als  ‘in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden’.

Participatie wordt omschreven als ‘deelnemen aan het maatschappelijke verkeer’.

Het begrip zelfredzaamheid wordt in het kader van de WMO dus sterk teruggebracht tot het kunnen verrichten van handelen en structureren van het huishouden. De meer sociale zelfredzaamheid, zoals het onderhouden van relaties, ontdekken wie de goede en wie de ‘foute’ vrienden zijn, rekening kunnen houden met anderen, heeft binnen de WMO geen plek. Terwijl dit voor veel mensen met een verstandelijke beperking juist veel moeilijker is dat de verschillende aspecten van zelfzorg.

Participatie wordt in de wet helemaal slecht gedefinieerd. Wat kan hier onder verstaan worden? Betekent dit dat iemand met een verstandelijke beperking perse tussen niet gehandicapte mensen moet wonen, of naar een soos of dagopvang gaan met ouderen? Het woord ‘wijk’ heeft in dit verband een speciale betekenis, omdat veel mensen het begrip participatie verbinden aan dat alles in de eigen wijk moet plaats vinden. Een voorbeeld hiervan is een gemeente die een zorgboerderij geen geschikte plek vindt voor dagbesteding in het kader van de WMO, omdat het buiten de bebouwde kom van de gemeente ligt en niet in een wijk.

Voor KansPlus betekent participatie niet dat uw kind gedwongen wordt alles te doen samen met, of tussen niet gehandicapte mensen als dat voor hem geen meerwaarde heeft. Participatie betekent  wel dat hij deel kan nemen aan maatschappelijke activiteiten en gebruik kan maken van maatschappelijke voorzieningen als hij dat zelf wil. Dat hij naar een winkel kan gaan om boodschappen te doen, dat hij gebruik kan maken van het openbaar vervoer, dat hij lid kan worden van een sportvereniging of hobby-club, enzovoort.

De gemeente waar uw kind woont is verantwoordelijk voor het financieren en organiseren van de zorg als uw kind geen indicatie heeft voor de WLZ. De gemeente levert de zorg echter niet zelf, maar heeft hiervoor contracten afgesloten met plaatselijke zorgaanbieders. Dit kunnen ook zorgaanbieders zijn die hun voornaamste activiteiten in de WLZ hebben. Voor gespecialiseerde vormen van zorg, zoals verblijf in een instelling voor jeugdpsychiatrie, hebben meeste gemeenten contracten met zorgaanbieders buiten de gemeente.

In de meeste gemeenten vormt het (sociale) wijkteam de spil in het web voor de WMO- en jeugdzorg. Bij dit team ligt dan de coördinatie van alle zorg en ondersteuning die u nodig heeft.

Als u voor het eerst aanklopt bij de gemeente met de vraag om zorg krijgt u een gesprek met een medewerker over de zorgbehoefte. Deze medewerker kan iemand van de gemeente zelf zijn, maar het kan ook iemand zijn van een wijkteam; dat is per gemeente anders geregeld.

Omdat de WMO er alleen is voor mensen die geen WLZ-indicatie hebben, gaan we er van uit dat het vooral zal gaan om mensen met een lichte verstandelijke beperking. Deze zijn vaak redelijk goed in staat aan te geven wat ze willen en welke ondersteuning ze nodig hebben. Redelijk goed, omdat ze de neiging kunnen hebben zichzelf te overschatten en te vergeten dat ze op dagen dat ze minder goed in hun vel zitten minder aankunnen dan op betere dagen. Daarom is het goed dat u bij deze gesprekken aanwezig bent.

In het keukentafelgesprek wordt gekeken welke behoefte aan zorg en ondersteuning uw kind heeft en hoe dat kan worden ingevuld. In het keukentafelgesprek kunnen u en uw kind zich laten bijstaan door een onafhankelijk cliëntondersteuner.

Binnen de WMO is het mogelijk voor de maatwerkvoorzieningen een PGB aan de vragen, zodat u de zorg zelf kunt regelen. De gemeente kan wel voorwaarden stellen aan het kunnen krijgen en het beheer van het PGB.

In de WMO wordt gesproken over verschillende vormen van ondersteuning die door de gemeente moeten worden aangeboden. De belangrijkste zijn

Algemene voorziening

Algemene voorzieningen zijn diensten of activiteiten die bericht zijn op zelfredzaamheid of participatie, en die voor iedere inwoner beschikbaar zijn zonder dat vooraf een zorgbehoefte moet worden vastgesteld. U kunt hierbij denken aan voorzieningen als een regiotaxi, maaltijdservice, klussendienst, sportverenigingen met een gehandicaptenteam, soosactiviteiten in een buurthuis, enz.

Maatwerk­voorziening

Op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang

Beschermd wonen

Wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;

Opvang

Onderdak en begeleiding voor personen die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving

Opmerkelijk bij deze definities is dat beschermd wonen en opvang niet bestemd zijn voor mensen met een (verstandelijke) beperking, maar dat het alleen bestemd is voor mensen met psychische of psychosociale problemen.

Zelfredzaamheid staat centraal in de WMO. Daar is niets mis mee. Natuurlijk is het een goede zaak als mensen in staat zijn voor zichzelf te zorgen. De definitie van zelfredzaamheid die in de wettekst wordt gegeven is echter erg beperkt.

Zelfredzaamheid wordt gedefinieerd als:

  • In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en
  • het voeren van een gestructureerd huishouden.

We vinden dit een veel te magere invulling. Om kwaliteit van leven te kunnen ervaren – en daar heeft iedereen toch wel recht op volgens KansPlus – is meer nodig dan je huishouden kunnen regelen en je dagelijkse zelfzorg te kunnen doen. Het is ook nodig dat je in staat bent met je emoties en gevoelens om te gaan, dat je je ervan bewust bent als je eenzaam bent en dat je daar iets aan kunt doen, dat je zingevende activiteiten hebt om je vrije tijd mee in te vullen, enzovoort. Wat KansPLus betreft zou zelfredzaamheid moeten gaan over alle gebieden die te maken hebben met kwaliteit van leven.

Een ander belangrijk punt ten aanzien van het begrip zelfredzaamheid is dat het niet verengd mag worden tot het zelfstandig kunnen verrichten van bepaalde handelingen.

Kunnen of aankunnen

Een risico van eenzijdige gerichtheid op zelfredzaamheid zoals de wet voorstelt, is dat vooral gekeken wordt naar praktische zaken en praktische handelingen die verricht moeten worden. Nu zal het – zeker bij mensen met een matige tot lichte verstandelijke beperking en normale motorische mogelijkheden – niet zo’n probleem zijn om ze allerlei vaardigheden te leren. Maar dat wil dat nog niet zeggen dat ze ook werkelijk deze vaardigheden altijd toe kunnen passen. Daarvoor is het nodig dat de handelingen voor de betrokkene zelf betekenisvol is en dat hij sociaal-emotioneel ook in staat moet zijn om de vaardigheden in te zetten.

Daar zit voor veel mensen met een verstandelijke beperking of andere cognitieve problemen meestal de grote moeilijkheid. Praktische vaardigheden die ze beheersen, kunnen ze niet altijd inzetten omdat ze het emotioneel of psychisch niet aankunnen. Dat is het verschil tussen kunnen en aankunnen.

Dat betekent dat we er niet zijn als we iemand allerlei vaardigheden aanleren en stimuleren. Als we iemand over de volle breedte van zijn bestaan ondersteunen – dus over alle aspecten die te maken hebben met kwaliteit van leven – kunnen we hem sociaal-emotioneel en psychisch sterker maken en op die manier bevorderen dat hij de vaardigheden waarover hij beschikt ook daadwerkelijk in zal zetten.
Als dit bij uw kind speelt, kunt u bij het bespreken van zijn behoefte aan ondersteuning dat het, in het perspectief van het bevorderen van zijn zelfredzaamheid, belangrijk is dat hij voldoende ondersteuning krijgt op het sociaal-emotionele vlak.  Als u in het kader van de WMO vraagt om deze sociaal-emotionele ondersteuning zonder de koppeling aan het bevorderen van de zelfredzaamheid, bestaat de kans dat het niet geboden wordt, omdat het niet nadrukkelijk als een van de doelen in de WMO beschreven is.

Zelfredzaamheid is overigens niet hetzelfde als ‘alles zelf en alleen doen’. Zelfredzaamheid moet ook gezien worden in de context van de mens als sociaal wezen en als deel van de samenleving. Zelfredzaamheid is ook dat je – als je weet dat iets moeilijk voor je is – bij een ander om hulp kunt vragen, zonder jezelf klein en afhankelijk te voelen. Op een zelfbewuste manier vragen om hulp bij wat je moeilijk vindt, is een opperste vorm van zelfredzaamheid.

Waar gewerkt wordt kunnen fouten worden gemaakt. En waar verschillende mensen of instanties een beoordeling moeten maken over wat goed is voor uw verwant kunnen meningsverschillen ontstaan. Als daar in een goed gesprek met de direct betrokkenen niet uitgekomen wordt komt het moment dat u een formele klacht wilt indienen. Zeker als u vindt
dat uw verwant schade heeft ondervonden of kan gaan ondervinden door het handelen van de ander.

Als u problemen heeft met beslissingen van het CIZ over de indicatiestelling, het CAK over de vaststelling van de eigen bijdrage of het UWV over de vaststelling van de uitkering moet u een beroep doen op de eigen klachtenregelingen van deze instanties. Deze kunt u op hun websites vinden: CIZCAK,  UWV.

De vaststelling welke zorg uw verwant nodig heeft als hij onder de WMO valt, is formeel een verantwoordelijkheid van het College van B&W van de woonplaats van uw verwant, ook al wordt het gesprek waarin de zorgbehoefte wordt geïnventariseerd uitgevoerd door een organisatie die daarvoor door B&W is gecontracteerd. Klachten over de vaststelling van de zorgbehoefte moeten daarom worden ingediend bij het College van B&W volgens de klachtenprocedure van de Wet Algemeen Bestuursrecht.

Klachten over de zorgverlening zelf

Voor zorgaanbieders die werken in het kader van de WMO zijn er geen landelijk geldende eisen ten aanzien van een klachtenregeling. Ieder gemeente kan zelf bij de inkoop van zorg eigen eisen stellen ten aanzien van klachtenafhandeling. Dit moet u dus bij de betreffende zorgaanbieder of bij de gemeente navragen.

Meestal begint de klachtenprocedure met gesprekken laag in de organisatie en als het daar niet kan worden opgelost, komen hogere leidinggevenden in beeld. Uiteindelijk kan de klacht worden voorgelegd aan een klachtencommissie. Niet iedere instelling heeft een eigen klachtencommissie. Vaak wordt in een regio samengewerkt en hebben instellingen samen een regionale klachtencommissie.

De ervaring leert dat de klachtencommissie bij beslissingen die door een zorgaanbieder genomen zij  zich meestal niet uit over de inhoud van de beslissing. Wel wordt gekeken naar de procedure, bijvoorbeeld of de cliëntenraad de gelegenheid heeft gehad advies te geven en of daarbij de goede informatie is verstrekt. Of als het om een beslissing gaat over uw eigen verwant wordt gekeken of het inderdaad een beslissing is die de zorgaanbieder had mogen nemen en of u daar op een goede manier bij betrokken bent geweest.

Bij klachten over het handelen of de bejegening ten opzichte van uw verwant wordt vaak wel meer naar de inhoud gekeken.

De formele klachtenprocedure kan soms lang duren en de adviezen van de klachtencommissie zijn niet bindend voor de zorgaanbieder. Als het gaat om ernstige klachten en als uw verwant op korte termijn schade kan ondervinden als uw klacht niet gehonoreerd wordt, kunt u zelf voor een versnelling kiezen. Dat kan bijvoorbeeld door de klacht niet alleen naar een leidinggevende van het zorgteam te richten (vaak is dat de eerste formele stap in de procedure), maar de klacht ook rechtstreeks naar de directie of raad van bestuur van de instelling te sturen met het verzoek om direct actie te ondernemen om schade voor uw verwant te voorkomen.

Ook kunt u afhankelijk van de ernst van de klacht en de haast die ermee geboden is dat de klacht behandeld wordt, externe instanties benaderen, zoals de IGZ (inspectie gezondheidszorg). Op de website van de inspectie kunt u lezen hoe en waar u een klacht kunt neerleggen.