Optimaal samenwerken tussen begeleider en verwanten gaat niet vanzelf
Samenwerking tussen verwanten en begeleiders is best nog uitdaging. Mensen die vanwege hun verstandelijke beperking wonen in een zorg-woning of een instelling zijn vaak geheel of gedeeltelijk afhankelijk van hun verwanten én van hun begeleiders. Zowel de begeleiders als de verwanten hebben het beste voor met de bewoners. Maar het is nog geen vanzelfsprekendheid dat de verwanten en de begeleiders daarin optimaal samenwerken.
Om die reden organiseerde KansPlus, Op weg met de ander, Sien, Helpende Handen, en Dit Koningskind samen met de zorginstelling Sprank op een avond in maart in Zwolle een bijeenkomst samen met de zorginstellingen, begeleiders en verwanten.
In de bijeenkomst kwamen eerst verwanten met elkaar in gesprek. Verschillende ervaringen werden gedeeld. Opvallend was dat veel verwanten al jaren zich zeer intensief inzetten voor hun familielid, maar desondanks maar heel beperkt betrokken werden door begeleiders.
Vervolgens was het de gelegenheid aan de begeleiders om met elkaar in gesprek te gaan. Zij gaven aan dat ze zich niet altijd gehoord voelen door de familieleden of juist dat ze zich op de vingers gekeken voelen door verwanten die meelezen in de rapportage. Begeleiders voelen zich altijd zeer betrokken maar ook verantwoordelijk. In hun opleiding krijgen ze ook de suggestie mee dat je als medewerker volledig zelfstandig verantwoordelijk bent voor de zorg van cliënt. Daar past niet het beeld bij van de gedeelde verantwoordelijkheid. Het inschakelen van hulp bij de verwanten voelt misschien wel als een soort falen.
Door op deze manier met elkaar in gesprek te gaan tussen verwanten en begeleiders ontstaat er begrip over en weer en worden dilemma’s duidelijker. Voor begeleiders leverde dat het inzicht op dat als je ergens over twijfelt, dat je niet alleen je collega of je manager kunt bellen, maar dat je ook gewoon de verwant mag bellen met een vraag. Voor de verwanten ontstond het inzicht dat begeleiders soms ook moeten schipperen tussen de belangen van de cliënt en de belangen van de verwanten.
Conclusie van de avond was wel dat een goede samenwerking tussen verwanten en begeleiders een grote meerwaarde kan hebben in het belang van de bewoners. En dat het organiseren van een dialoog tussen ouders en begeleiders, zoals tijdens deze bijeenkomst een grote meerwaarde kan hebben. De vraag is alleen hoe je meer zorginstellingen zo ver kunt krijgen dat ze verwanten en begeleiders meer met elkaar in contact brengen, ook buiten de formele momenten van een zorgplanbespreking om.
Dat kan door dit soort bijeenkomsten te organiseren of bijvoorbeeld de interne opleidingen voor het personeel ook open te stellen voor verwanten. Ook kan je denken aan het organiseren van een jaarlijkse bijeenkomst voor nieuwe verwanten en voor nieuwe medewerkers, waarin bij wijze van introductie de samenwerking centraal staat.
Bart van Moorsel